Onderstaande suggesties bouwen voort op elementen uit de voorstelling. De suggesties dienen ter inspiratie en reiken ideeën aan, de docent kan ze op zijn of haar eigen manier vorm geven.

Voor de voorstelling
1. Lees ter informatie de foldertekst van de voorstelling om een indruk te krijgen van wat u kunt verwachten. U ziet dan waar de voorstelling over gaat en wie er speelt. U leest tevens iets over de bron vanwaaruit hij is ontstaan: de actrice/maakster is ook kinderboekenschrijfster. In OOMPJE worden deze twee disciplines, literatuur en theater, gecombineerd. In de voorstelling wordt dan ook niet alleen gespeeld, verteld, gedanst en gezongen, maar ook geschreven!

2. Lees de foldertekst voor aan de kinderen (het bovenste gedeelte) of vertel iets over de inhoud van de voorstelling:
Oompje woont in een huis op de heuvel. Hij woont daar gezellig alleen. 'Gezellig alleen', kan dat wel? Ja hoor, want Oompje heeft het altijd leuk met zichzelf en de wereld om hem heen.
Buiten, in de tuin, of binnen, bij het haardvuur, het maakt niet uit waar Oompje is. Hij beleeft altijd wel een avontuur!

Lees vervolgens het verhaal Verdwaald voor. Dit is het eerste verhaaltje dat in de voorstelling zal worden gespeeld.

Vlak voor de voorstelling
3. Vertel dat er een actrice komt spelen. Leg uit wat theater is: de actrice speelt en het publiek kijkt, luistert en beleeft.
Vertel iets over het verschil met tv: daar kun je gerust doorheenpraten, je kunt ook naar de wc lopen tijdens een programma, de tv heeft daar geen last van, maar de theatervoorstelling wél. NB: Lachen en andere geluiden die met 'meebeleven' te maken hebben mogen natuurlijk wél!
Zeg dat als ze moeten plassen, ze dat vóór de voorstelling doen, zodat iedereen tijdens de voorstelling lekker op zijn plek kan blijven zitten.

Wens de kinderen heel veel plezier!

Na de voorstelling
4. Napraten over OOMPJE. Wat vonden de kinderen mooi, wat niet en waarom?
Laat de kinderen een tekening maken van alle leuke momenten die ze hebben gezien, waarbij ze proberen om alles zo veel mogelijk op één tekening bij elkaar te zetten.

5. In de voorstelling woont Oompje 'gezellig alleen'. Praat hierover: kan dat wel, gezellig alleen? Wat is dat, gezellig? Kun je het in je eentje gezellig hebben? Wat zijn de nadelen van alleen zijn? Wat zijn de voordelen?
Oompje woont alleen, maar hij voelt zich níét alleen, want hij is 'samen met de wereld om hem heen'.
Als jij alleen speelt, vóél je je dan alleen? Of niet, omdat je samen bent met je speelgoed en met je fantasie?
Wie van de kinderen speelt het liefst alleen? En wie speelt het liefst samen met andere kinderen? Wie wil sóms graag alleen spelen en soms met anderen?

6. Laat de kinderen zelf (alleen, in groepjes of klassikaal) een verhaal verzinnen/schrijven met Oompje in de hoofdrol.
Bespreek vooraf het karakter van Oompje. (Bijv.: nieuwsgierig, gevoelig/veel emoties, ondernemend, verwonderd, fantasievol) Hoe zien de kinderen hem? (misschien: dom, gek, hij doet rare dingen)
Bespreek achteraf in hoeverre het karakter terug te vinden is in de verhalen die de kinderen hebben verzonnen.

Om met de eigen verhalen op gang te komen kan er een begin gegeven worden, bijvoorbeeld:
* Begin 1: Oompje heeft zin om er netjes uit te zien. 'Ik ga wandelen', zegt hij. Dan kan de hele wereld zien hoe netjes ik ben.' Hij trekt zijn nette broek aan, en zijn nette jas. Maar... zijn nette schoenen, waar zijn die gebleven?
* Begin 2: Oompje kijkt bezorgd naar de boom. De blaadjes dwarrelen naar beneden. 'Arme boom', zegt Oompje. 'Hij wordt helemaal kaal. Ik moet hem helpen.'

7. Geluiden/hoorspel.
- Lees het verhaal 'Griezelen' voor en laat kinderen de geluiden maken die bij het verhaal horen (regen, wind, glas dat rinkelt, een huis dat omwaait, etc.) Of:
- Speel het verhaal over het slechte weer na. Wijs een paar kinderen aan (of maak groepjes) die de regen en wind nadoen.
Ook de opkomende zon die met zijn stralen de regen en de wind wegjaagt kan gespeeld worden door één kind of een groepje.

8. Gesprek over het weer: hoeveel soorten weer kun je bedenken? (zonneschijn, mist, onweer, hagel, etc.) Oompje houdt erg van de zon. Van welk weer hou jij het meest?
Wat vind je goed weer en wat vind je slecht weer en waarom? Is regen wel zo 'slecht'? Stel je eens voor dat het er niet zou zijn. Hoe zou het zijn als er alleen maar zon was?

9. Oompje is bang voor 'het weer', voor de regen en de wind, omdat hij bedenkt wat voor erge dingen er misschien kunnen gebeuren. Waar ben jij bang voor? Zijn dat 'piekers in je hoofd', net als bij Oompje (angsten voor wat er kán gebeuren) of 'dingen in het echt', zoals het donker, spinnen of grote honden?
Oompje begon te zingen toen hij bang was, en dat hielp. Wat doe jij als je bang bent? Heb je ook een manier om te zorgen dat je angst weggaat?

10. In het speellokaal: 'groeispel'.
Onderzoek met de kinderen de verschillende manieren waarop iets kan groeien. Laat ze in de ruimte van het speellokaal in slow motion de groei uitbeelden van:
- planten (ook groente, fruit, bloemen, een boom).
Bijvoorbeeld: bloemkool, komkommer, tros druiven (dit kan een groepje kinderen samen doen), brandnetel, zonnebloem, veld vol wilde bloemen.
- dieren: poes (wat als de poes nóg groter groeit: tijger?), vogeltje, kikker(visje).
- mensen: een kind wordt geboren en groeit steeds groter. Laat de kinderen onder de benen van een ander kind doorkruipen en zo 'geboren worden', en vervolgens over de lengte van het speellokaal steeds verder omhoog komen, ouder worden.

11. Bespreek wat er nodig is om te groeien. Wat hebben bloemen en planten nodig? Wat hebben dieren nodig om te groeien? En mensen?
Plant een paar zaadjes in een pot in de klas en volg het groeiproces. Laat de kinderen zorgen voor voldoende licht, water, 'mest' (voeding). Leer ze het groeilied van Oompje, dat ze kunnen zingen ter aanmoediging van het groeiproces.

12. Lees verhaaltjes voor uit het boek OOMPJE.